De uitrol van laadinfrastructuur in België verloopt met sterk uiteenlopende snelheden. Begin 2026 passeerden we weliswaar de mijlpaal van 100.000 (semi-)publieke laadpunten, maar de regionale verschillen zijn opvallend groot.
De verdeling van laadpunten toont een duidelijk patroon: Vlaanderen neemt het voortouw, Wallonië blijft ver achter en Brussel concentreert zich op stedelijke oplossingen.
| Regio | Aantal laadpunten (begin 2026) | Percentage |
|---|---|---|
| Vlaanderen | ±77.500 | 77% |
| Wallonië | ±13.200 | 13% |
| Brussel | ±9.800 | 10% |
Met bijna vier keer meer laadpunten dan beide andere gewesten samen, loopt Vlaanderen voorop. Het “paal volgt wagen”-principe en vroege concessie-overeenkomsten legden een stevige basis. De hoge concentratie bedrijfswagens in de Vlaamse ruit stimuleert bovendien de vraag naar semi-publieke laadinfrastructuur bij supermarkten en kantoorlocaties.
Experts wijzen op Wallonië als het belangrijkste knelpunt in de Belgische elektrificatie. Dunbevolkte provincies zoals Luxemburg en Namen bieden weinig commerciële aantrekkingskracht voor private investeerders. Hoewel de regio een inhaalplan heeft om duizenden extra laadpunten te plaatsen, groeit de kloof: in 2024 installeerde Vlaanderen op jaarbasis zes keer meer palen dan Wallonië.
Het Brussels Gewest telt weliswaar relatief weinig laadpunten, maar de kleine oppervlakte zorgt voor een hoge dichtheid. De beperkte beschikbaarheid van private opritten dwingt tot creatieve oplossingen: lantaarnpaal-laders en grootschalige laadhubs worden hier prioritair uitgerold.
De verplichte elektrificatie van nieuwe bedrijfswagens en de invoering van het mobiliteitsbudget maken de regionale verschillen prangender. Vlaamse werknemers beschikken over een uitgebreid laadnetwerk, terwijl Waalse werknemers met laadangst worden geconfronteerd. Deze ongelijkheid dreigt de transitie naar elektrisch rijden in het zuiden van het land te vertragen.